Deze website maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken om een optimale gebruikerservaring te bieden. Je kunt je voorkeuren aanpassen of meer informatie bekijken.

Deze cookies zorgen ervoor dat de website naar behoren werkt. Deze cookies kunnen niet uitgezet worden.
Deze cookies zorgen ervoor dat we het gebruik van de website kunnen meten en verbeteringen door kunnen voeren.
Deze cookies kunnen geplaatst worden door derde partijen, zoals YouTube of Vimeo.
Deze cookie stellen onze advertentiepartners in staat om doelgerichter informatie te kunnen aanbieden.

Door categorieën uit te zetten, kan het voorkomen dat gerelateerde functionaliteiten binnen de website niet langer correct werken. Het is altijd mogelijk om op een later moment de voorkeuren aan te passen. Bekijk meer informatie.

Op deze tekening is een cruciale scène weergegeven uit de komedie Jan Claasz., of de Gewaande Dienstmaagd (derde bedrijf, zesde scène, zie onder). Het kluchtige verhaal, in 1682 geschreven door de Amsterdammer Thomas Asselijn (1620-1701), gaat over de rijke boer Jan Claasz. die verliefd is op zijn dienstmeid, Saartje Jans. Deze dochter van twee fatsoenlijke mennonieten, zal tegen haar wil worden uitgehuwelijkt aan een zeer respectabele maar domme jongeman, Reinier Adriaansz. Zij is echter verliefd op Jan Claasz. met wie ze een complot smeedt om het gearrangeerde huwelijk te dwarsbomen.

Jan Claasz. vermomt zich als dienstmeisje en weet het vertrouwen van de ouders van zijn geliefde te winnen. Haar moeder vraagt hem zelfs om ’s nachts op Saartje te passen, wat voorspelbare gevolgen heeft (er wordt ‘bruiloft’ gehouden). De volgende ochtend wordt de misleiding ontdekt, waarop Saartje flauwvalt om de aandacht af te leiden. Op het hier afgebeelde moment proberen twee buurvrouwen, Marritje en Grietje, die op de hoogte zijn van het complot, haar met azijn bij te brengen. Jan Claasz., nog steeds vermomd, buigt zich zorgzaam over haar. Saartje’s ouders staan op de achtergrond: de vader lijkt zijn woede te verbijten, terwijl zijn vrouw probeert hem te kalmeren. Uiteindelijk accepteren de ouders van Saartje haar keuze en laten haar met Jan Claasz. trouwen.

Cornelis Troost vervaardigde tussen 1736 en 1745 een dertigtal afbeeldingen van dit toneelstuk (ook detailstudies ervoor), waarvan een deel in prent is gebracht en in de Atlas Van Gijn is opgenomen:

Thomas Asselijn, Jan Claasz., of de Gewaande Dienstmaagd, 1682

(derde bedrijf, zesde scène):

ZAARTJE JANS vryster van Jan Claasen. (Klaaz/Klazen)

JAN KLAAZ vryer van Zaartje, en de gewaande dienstmaaght

JAN JASPERSEN Vader van Zaartje Jans.

DIWERTJE GERBRANTS Moeder van Zaartje Jans.

MARRITJE Buurvrouw

GRIETJE Buurvrouw

SESTE TOONEEL.

DIWERTJE. JAN JASPERSEN. JAN KLAZEN. ZAARTJE.

MARRITJE. GRIETJE.


ZAARTJE.

Myn liefste Vader en Moeder, vergeeft et mijn zo ik je

hier in heb misdaen.


DIWERTJE.

Misdaen ?


MARRITJE.

Nou Diwertje, onstelje zoo niet, men moet

tegen een jonge vrou zoo niet aengaen.

Og hoe bedrukt ziet zer uit, ze zelder gewis nog aen

't eind schreyen.


JAN JASP.

Jou leelijke stukke vleys als je bend, hoe hebje 't durven

bestaen, van jou ouwers zo schandelijk te verleyen ?

Was het nog maer een Schoenlappers gezel, ik zoud

't verzetten, maer Jan Klazen, ja wel ik ben

hiel konfuys.


JAN KLAAZEN.

Verschoond mijn, zoo ikje hier in beleedigt heb.


JAN JASP.

Verschoone ! datje een bordeel maekt

van mijn huys.


GRIETJE.

Nou Jan Jasperzen, deinkt dat et er diel is, en dat

niemand eens anders bruid zel rooven ;


JAN JASP.

Ay kallemoers praat, er diel is, mienje dat wy die dingen

gelooven ?

Maer Martyn de Besteetster, die al dit onheyl heeft

gebroud,

Ik zweer datzer veur lyen zel, zie daer, ik gae zoo

dryvende nae de Schout ;

Zoo wordze nog ligt in 't heimelijk gegiezeld, of ten

minsten uit gebannen,

Want in zulken stadt als dit is, weet men dat onkruid

wel te deeg te wannen.


MARRITJE.

Nou vrienden, ziet je kinderen heur vernederen, maekt

dog een eind van er verdriet,

En deinkt watter epasseerd is, dat et uit opregte liefden

is geschied.

Og daer zijgdze neer, Diwertje ze sterft, ik voel niets

aen er beweegen.


DIWERTJE.

Mijn kijnd , mijn kijnd .


GRIETJE.

Ze het gewis van ontsteltenis een hart-

vank gekreegen.

Og ja ze sterft, wat azijn, azijn, zoo sprenkeldze wat,

en ontbinter er schorteldoekx bant.


JAN KLAZEN.

Mijn lieve Zaertje Jans, zoo je nog eenige kennis hebt,

zoo drukt me nog iens veur 't lest aen men hand.

MARRITJE.

Ay stae wat ruim keijeren, ze begint er wat te rekken,

ik hoop dat et noch gien sterven zel weezen.


DIWERTJE.

Og Marritje Jacobs, terwijl 't nou zo leyd, wou je men

man nu wat zoeken te belezen.


MARRITJE.

Nou Jan Jasperzen, geeft je woord, je ziet immers wat

swarigheyd at er uit kan ontstaen ?


JAN JASP.

Wat zellen we doen Moer ?


DIWERTJE.

Ik zie geen middel vaar, of we zellend

wel moeten laten voortgaen.


JAN JASP.

Zoo zel ick hem eerst veur af enige artykelen gaen

veur houwen :

Hoor Jan Klazen, of ik 't toestond, zouje mijn dogter

op deez Voorwaarde dan wel willen trouwen ?


JAN KLAZEN.

Og ja mijn vrind, hoe kragtig, en hoe nauw dat je

me die ook in steld.


JAN JASP.

Zoo zelje me dan beloven, datje niemand van je yolk,

in handel of in wandel nae volgen zeld,

Dat jer t'enemael van seld af sien, en al je geselschap

en aenhang zeld af snijen :

Datje de hanematten zeld schouwen, als ook het kwan-

zelen van honden, en van duiven, steentje been-

tje, en schilderyen,

Datje de kroegen zult haten, nog van pasdies, al wat

ik zie, of van in 't verkeerdbord te speulen,

zeld maken je werck.

Datje je beroep eerlijk zeld waer neemen, en weezen,

altijt neerstig, zoo op de Beurs, als in de Kerk.

Beloofje me dit alles naer te komen, en van noyt weer

tot jou voorgaende leeven te keeren ?


JAN KLAZEN.

Og ja, en zoo je 't op mijn verzoekt, zoo wil ik et

jou wel zweeren.


JAN JASP.

Wel, houd daer dan in je woord, zoo wens ik je veel

geluks met mijn kind.


GRIETJE.

Wat zoo, nou ziet men, dat die in 't strijden volhard,

ten laatsten nog overwind.


DIWERTJE.

Veel geluks Keijeren, dat je zamen langh meugd be-

klijven.


MARITJE.

Veel geluks Zaartje Jans, en jy Jan Klaazen, datje altoos

lieve kinderen meugt blijven.


JAN JASP.

Wat wonderlijke toeval is dit, ik sta'er van verstomd,

zoo wonderlijk komt et me veur.

Wat hebben wy'er met kracht tegen gewoeld, en nou

komt hy 'er door deze list noch zoo gemakkelijk

deur.

Ik kan het niet begrijpen, 't is of ik in een Doolhof ben,

daar niet uit is te raken.

Maar dit wil ik je wel zeggen, dat et regt stof is voor een

goed Poéét, om een blyspelletje van te maaken.

Ik ken men onmooglijck niet bedaaren, zoo wonderlik

als men dit voorkomd, en zoo vreemd.

Nou vrinden, elk spiegle zig aen my, en zie wie dat hy

onder zijn dak neemd.


UIT